Posts tonen met het label dikkopmos. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dikkopmos. Alle posts tonen

zondag 16 februari 2014

Mossen (2): iedereen kent dikkopmos.


Dikkopmos is een algemeen voorkomend mos in tuinen, bermen, bossen, het groeit op steen, schors en op de grond. Iedereen komt het wel tegen, het kan met hele mooie vormpjes een plek begroeien. De witte topjes aan het eind zijn karakteristiek, hoewel ook andere – minder vaak voorkomende mossen dit kenmerk hebben. En dat maakt het met zekerheid determineren altijd onzeker, zie de opmerking van Albertine hieronder bij de reacties.
Dikkopmos (Brachythecium rutabulum) is een zogenaamd slaapmos: het vormt matten met meest liggende mosstengeltjes.


Het leukste van mossen is wel het kapselen. Mensen hebben het wel over “bloeiend mos”, maar mos kan niet bloeien. Planten met bloemen ontstonden pas veel later in de evolutie, in de tijd daarvoor waren er mossen, wolfsklauwen, paardenstaarten, en die maakten kapsels met sporen om zich voort te planten.
Wanneer bij mosplantjes bevruchting heeft plaatsgevonden, vormt zich een sporenkapsel (sporofyt) waarin veel sporen zitten. Het sporendoosje wordt afgesloten met een dekseltje waarop een soort snaveltje. En daaroverheen bevindt zich een heel dun vliesje: het huikje.

In het midden twee kapseltjes met wittige huikjes.
In het begin is een sporenkapsel nog dun en groen, maar later groeit het uit, het rijpt. Het huikje laat los en wordt afgeworpen, later wordt ook het dekseltje afgestoten. Bij veel bladmossen worden de sporen in het doosje dan nog beschermd door een soort tandjes (peristoom). Onder gunstige, droge omstandigheden buigen die tandjes naar buiten waardoor de sporen naar buiten kunnen om door de wind te worden verspreid. Bij verschillende mossoorten zien de sporendoosjes, deksels en huikjes er weer anders uit, waardoor je ze – onder vergroting – kunt herkennen.
Bij het dikkopmos zie je in januari al mooie, uitgegroeide sporen. In het centrum van bovenstaande foto zie je een kapsel, dat bezig is een bleek, snavelvormig huikje af te werpen. Linksmidden zie je nog een jong, groenig kapseltje.De andere kapseltjes zijn nog stevig afgesloten met het dekseltje.

Een maand later, nu dus, zijn vrijwel alle dekseltjes afgeworpen en zie je duidelijk de peristoomtandjes.

Peristoomtandjes op kapselmond, rechts blad van groot rimpelmos.
Aanvankelijk had ik zelfs bij dit eenvoudige mos problemen met het determineren. Op de tweede foto met de puntvormige dekseltjes meende ik dat het de snaveltjes van het gesnavelde klauwtjesmos waren. Verwarring van dikkopmos met dit mos komt vaker voor. Maar bij het gesnavelde klauwtjesmos zijn de snaveltjes toch echt wel explicieter en bovendien heet het niet voor niets klauwtjesmos: de blaadjes zijn wat gekromd, vooral ook zichtbaar aan de uiteinden. En het is duidelijk dat dat niet het geval is bij de hier getoonde plantjes.

Als mosjes door droogte inkrimpen, kan je ze niet meer goed bekijken Deze tijd is dus wel heel geschikt. En: fotograferen en uitvergroten op de computer: de meest simpele manier om ze goed te bekijken.

Zelfs als je slechts een klein balkon hebt, kan je in een beschaduwd hoekje een steen met mos laten begroeien. Op een braakliggend- of bouwterrein terrein zie je soms een mooi begroeide steen die je zonder de omgeving schade toe te brengen kunt meenemen.


Ik ben geen fan van het verzamelen van mos in bossen, dan schaad je het ecosysteem, het gaat in de tuin meestal dood en het is nog verboden ook. Met enig geduld groeit mos vanzelf op een steen of in een pot.
Hierboven een steen, die vanzelf met mos begroeid is geraakt.

En tenslotte het muurtje in onze tuin, dat na een jaar of acht leuk begroeid is.
Je ziet er meer mossoorten gecombineerd met muurleeuwenbekje.
Van links naar rechts: fijn laddermos, muurleeuwenbekje, kapselend dikkopmos.
Het is al leuk als je zo nu en eens wat rond speurt naar het dikkopmos, dat je vaker zult zien dan je denkt. Je gaat dan ook andere mossen zien, en je wordt nieuwsgierig naar deze bijzondere miniwereld.