Voordat morgen de eerste herfststorm in
onze streken gaat woeden nog even een verstilde foto van een veenplas
in de buurt van het Friese Oldeberkoop: het Diaconieveen.
We maakten daar gisteren een wandeling,
en we vroegen ons af waarom we hier niet veel vaker naartoe gaan:
zo'n mooi stuk natuur.
Het is te zien dat veel bomen nog in
het blad zitten en dat zelfs de verkleuring hier nog niet eens zo ver
is. Dat zal vanaf nu snel veranderen.
Het Diaconieveen is een veenplas, maar
wel een bijzondere.
Het is een zogenaamde pingoruïne.
Pingo's komen voor in gebieden waar gedurende de IJstijd
omhoogwellend grondwater bevroor waardoor een grote ondergrondse
ijsbult – een z.g. ijslens – ontstond die de grond erboven
omhoogdrukte waardoor een heuvel ontstond. Toen het ijs zich
terugtrok dooide die ijsbult, de grond erboven stortte in en er
ontstond een soort kraterachtig meer. Het geheel noemt men een
pingo(ruïne).
Waar in de voorlaatste IJstijd het ijs
lag, in het noorden en oosten van het land zijn meer pingo's. Ook
het Uddelermeer is er één.
Veel van deze pingo's groeiden weer
dicht met waterplanten, die vergingen, Hierdoor ontstond hoogveen. En
dat kon worden afgegraven, gedroogd en gebruikt als brandstof .
Vooral vanaf 1850 tot 1950 werd in veengebieden veel turf afgegraven.
De gaten vulden zich weer met water waardoor vele veenplassen
ontstonden, waarvan een deel later tot natuurgebied werd verklaard.
Zo ook het Diaconieveen, een boeiend
stukje natuur van zo'n 44 hectare dat ook nog eens grenst aan De
Delleburen, een beekdallandschap van zo'n 195 hectare.

