Posts tonen met het label Sambucus nigra. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sambucus nigra. Alle posts tonen

vrijdag 25 oktober 2019

Herfstige rood- en geeltinten in mijn tuin.



Nog niet alle bomen en struiken hebben de herfsttinten al aangenomen, maar er is al veel moois te zien in de tuin.
Opvallend rijkbloeiend is de kardinaalshoed dit jaar, de vruchtjes lijken extra groot (zie boven). De plant gedijt kennelijk bij warme en droge zomers.

De Ginkgo biloba in pot heeft prachtig geel blad:


De laagblijvende blauwe bes in pot verkleurt haast karmozijnrood:


In veel tuinen zie je nog royaal uitgezaaide Verbena bonariensis, die nog in bloei staat. Ook deze plant geniet van droogte en warmte. Hieronder staat hij tegen de achtergrond van een geel kleurend beukje:


Ook de Persicaria amplexicaulis bloeit nog royaal. De plant trekt ook nu nog insecten aan en heeft niet geleden onder de droogte:


De wat miskende Persicaria virginiana wordt meer gewaardeerd om het mooie blad dan om de zeer fijne, smalle, donkerrode bloeiaren. Uitzaaien en woekeren van deze soort geeft in onze tuin met dichte plantengroei geen probleem:


De Rosa glauca heeft mooie rode bottels:


Onze schermen raken al aardig begroeid met klimop. Maar het mooist vind ik wel de snel gegroeide wilde wingerd, die al toont hoe mooi zijn herfstkleuren zijn, het zal volgend jaar nog overdadiger zijn:


Tegenover de schermen ligt de heg van haagbeuken, die de sloot afschermen:


De zwarte vlier, de Sambucus nigra “black lace”, een jaar geleden geplant op de plek van een oude composthoop, doet het boven verwachting goed:


En tenslotte ligt onder de rhododendron een door een vriend gemaakte stapeling, zo maar voor de grap.



maandag 17 december 2012

De vlier: bomenkalender nr.13.


De laatste boom op de Keltische bomenkalender is de vlier ( Sambucus nigra). De vlier is een struik of boom ( max. 10 meter hoog) die in heel Europa tot in West-Siberië voorkomt. De meeste mensen kunnen hem in de tuin niet erg waarderen, hij wordt als slordig onkruid beschouwd.
Ik heb al jaren een zwak voor de vlier. Toen we nog op zandgrond tuinierden, hadden we er één aan het eind van de tuin. Maar op zandgrond gaat een vlier kwijnen, hij bloeit wel in het voorjaar, maar in de zomer krijgt de boom te weinig vocht om de bessen tot ontwikkeling te laten komen.
De vlier vraagt dus een meer vochtige, stikstofrijke grond. Slootkanten zijn ideaal. Meestal hoef je hem niet eens zelf aan te planten. Bij ons is een exemplaar door vogels uitgezaaid aan de slootkant én een aan de noordkant van het huis, waar hij in halfschaduw staat. Hier op het turfpakket onder de grond doen ze het best goed. Rijke bloei en redelijk veel bessen.


De vlier is op zijn mooist in de bloeitijd, eind mei en begin juni. De tere, op kant lijkende bloeischermen, met die typische, weezoete geur maken me altijd weer blij. Een mooie gewoonte is het dopen van de bloeischermen in beslag, ze als vlierpannekoekjes op te dienen (groene delen niet eten). Dit deden we vroeger met de kinderen altijd op de langste dag, 21 juni. Maar gaandeweg, zeg maar de laatste 30 jaar, lijkt de bloeitijd enkele weken naar voren te zijn opgeschoven – zoals bij meer planten – waardoor je na midden juni niet meer zoveel mooie bloemschermen kunt vinden.


De bloesem wordt ook gebruikt om te drogen en thee van te trekken, die helpt bij koorts en verkoudheid. De bessen van de vlier hebben eveneens een geneeskrachtige werking. Ook hier geldt: de groene bessen, de groene steeltjes en de pitten (na het koken uitzeven) zijn giftig, ze bevatten een blauwzuurverbinding. Dit blauwzuur is na het koken van de bessen verdwenen. Je kunt de bessen, vanwege de pitten, dan ook maar beter niet rauw eten.
Vlierbessensap bevat een stofje, dat het griepvirussen moeilijker maakt om lichaamscellen binnen te dringen, het is dus een natuurlijke griepvirusremmer. Alleen daarom al dienen we de vlierbessen te koesteren!


Bij het verzamelen van de bessen moeten we wel weten, dat er één vliersoort is, waarvan ook de bessen giftig zijn: de weinig voorkomende, lage (60 – 1.50 meter) kruidvlier (sambucus ebulus).
Bij twijfel dus even goed goochelen om je vlier te determineren.
Zoals alle bomen op de Keltische bomenkalender is ook de vlier een heilige boom. De boom werd zowel met leven ( de bruidstooi in het voorjaar) als met dood (de brosse, sombere kale takken in de winter) geassocieerd. De boom was bij de Germanen gewijd aan de godin van de vruchtbaarheid, Freya. In Duitsland noemden ze haar later vrouw Holle, zij had de vlierstruik als woonplaats. De vlier werd daarom ook aangeplant bij de woning van een jong stel, om de zegen van vrouw Holle te krijgen: veel nakomelingen. Een vlier bij de woning zorgde ook voor bescherming: tegen bliksem, tegen boze geesten maar ook gewoon praktisch: tegen vliegen en muggen. Het (gekneusde) vlierblad schijnt muggen en vliegen op afstand te houden. Paarden kregen om die reden wel een krans met vlierblad om de nek.
Van vliertakjes werden toverstokjes gemaakt, er werden magische krachten aan toegekend. Takken werden vroeger uitgehold – van het zachte merg aan de binnenkant ontdaan – waardoor je holle pijpjes kreeg om fluitjes van te maken. Sambucus zou afgeleid zijn van het Griekse woord Sambuke = fluit.
Verbranden mocht je een vlier nooit, dan riep je onheil over je af. Als je het toch deed, moest je eerst toestemming en excuus vragen aan de wezens, die in de boom leefden.

En hiermee zijn we aan het eind gekomen van serie blogs over de bomen van de Keltische bomenkalender. Ik heb ze nu allemaal, op een nogal persoonlijke manier behandeld, omdat ik het leuk vond, op deze manier wat beter met deze bomen kennis te maken.
Op de 23e december geeft de kalender een overgangsdag aan, een naamloze dag, die toebehoort aan de Mistletoe. En op de 24e december begint de kalender weer opnieuw.

Wat ik heb geleerd van het omgaan met deze bomenkalender, is dat men in vroeger tijden veel eerbied had voor bomen. Hun langzame, gestadige groei. Het feit, dat bomen vaak veel langer leven dan mensen. Ze zien geslachten aan zich voorbijtrekken, staan schijnbaar onbewogen, terwijl oorlog en vrede, lief en leed passeren. Het zijn levende wezens, die ons van zuurstof, zaden en vruchten, vaak medicijnen voorzien.
Ik ben niet sentimenteel, omarm geen bomen, maar ik verbaas me er vaak over hoe bomen worden beschouwd als mode- en wegwerpdecoratie in onze leefomgeving en onze tuinen. Dat mensen een mooie en gezonde boom omzagen, omdat “er zoveel rommel vanaf komt” of ”omdat hij te groot wordt” doet me altijd verdriet. Ik kan het geluid van de motorzaag, die in een half uur een boom platlegt, die al dertig jaar of veel langer erover gedaan heeft om op te groeien, niet verdragen.
Ook bij ons “moest” wel eens een boom weg, omdat er een aanbouw moest komen óf omdat de boom gevaar ging opleveren. Ik voelde me dan toch schuldig.

Terug naar de vlier. Als eens in de drie jaar bij ons de hovenier het wat zwaardere snoeiwerk komt doen, is zijn altijd terugkerende vraag: en de vlier, moet die nog gesnoeid? Het antwoord is vrijwel steeds: “Nee, hij staat hier zo mooi vlak voor ons raam; de bloesem is een feest in het voorjaar, de bessen een lust voor de spreeuwen in hun kersverse winterpak, en dus ook voor ons. In de winter hangt er het vogelvoer, waardoor we de mooiste zangvogeltjes zien.”


En de vlier beschermt ons tegen alle kwade geesten, en dat is in deze donkere dagen ook nooit verkeerd.