Toen ik
een weekje geleden in de trein zat, zag ik een klein dingetje
voorbijzweven en landen op de achterkant van de stoel voor mij, vlak
voor mijn neus. Een mugje? Ik keek eens beter: het was zonder twijfel
een enkel zaadpluisje van de bosrank (clematis vitalba) uit mijn
tuin. Die ochtend was ik met mijn muts op langs de overhangende
zaadpluizen boven de tuinpoort geschampt, waarbij ik gratis nog een
scheut sneeuw in mijn nek kreeg.
Een stel
pluizen waren meegelift en besloten in de trein te gaan zweven.
En zo
gaat het met zaden. De mooie clematis vitalba, één van onze weinige
inheemse lianen met een ongelooflijke groeikracht, heeft clusters met
zaden die langdurig mooi blijven. Zoals onderstaande foto toont, heeft elk
afzonderlijk zaadje een soort vliegveertje, waarmee het de wijde
wereld in kan zweven om een goede plek te vinden voor ontkieming.
Mensen,
dieren, vervoermiddelen kunnen zonder het te weten zaad met zich
meevoeren. Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Maar in deze wereld,
waar veel internationaal transport is, komen ook zaden van elders mee van soorten,
die zich in hun nieuwe omgeving niet alleen gaan vestigen (de zg.
adventiefplanten) maar zich ook agressief gaan opstellen ten opzichte
van de oorspronkelijke vegetatie door deze bij voorbeeld te
overwoekeren. Dit noemen we de invasieve exoten (die naam geldt ook
voor dieren en micro-organismen).
Ik
herinner me nog een aardig verhaal over de kleine teunisbloem,
waarvan het zaad via de overslag van Amerikaans graan werd
aangetroffen op de voormalige havenkade "het Pothoofd" in
Deventer. Het synoniem pothoofdplanten voor adventiefplanten komt
daarvandaan.
Het
spreekt voor zich, dat havens hoog scoren bij de aanvoer van exotisch
leven. Maar denk ook aan ons vogelzaad...
In het
klein heb ik dus meegedaan aan de interregionale verspreiding van één
van mijn meest ontembare lievelingsplanten.








