woensdag 1 april 2020

Moois in de tuin.




Een geluk bij een ongeluk is, dat we deze corona-ellende meemaken in de tijd, dat het voorjaar aan het doorbreken is. Elke dag meer licht, uitbottend groen, vrolijke vogelgeluidjes, straks hopelijk comfortabeler temperaturen: de natuur geeft ons troost en afleiding.

Mijn man en ik komen vrijwel niet meer verder dan huis en tuin: we hebben beiden bronchiale problemen in onze voorgeschiedenis en het virus houdt van onze leeftijdscategorie.
Met enig online-strategisch beleid lukt het om de boodschappen aan huis bezorgd te krijgen.

Met soms enige moeite lukte het de afgelopen dagen om de mannen, die de glasvezelkabel van de KPN langs ons huis aan het aanleggen zijn, op anderhalve meter afstand te houden.
Over een paar dagen moeten ze de kabel naar ons huis toe zien te krijgen. Dan schieten ze de kabel ondergronds door een stuk voortuin naar de vastgesteld plaats vlak bij ons huis.
En dat kan ik er nu eigenlijk niet bij hebben, wie aan mijn tuin komt, komt aan mij ; – )

De vage ongerustheid tot de coronadoelgroep te behoren en zorgen om je geliefden kost toch energie.
Wat voorheen “smetvrees” werd genoemd, wordt nu geacht tot je normale gedrag te behoren. Hoe lang blijft het virus op papier, karton, plastic, metaal zitten? Moet ik daar ook al rekening mee houden of draaf ik dan door in het nu voorgeschreven "neurotische" handelen?

Het geïsoleerd zijn op zich kost ons niet zoveel moeite, al zou je je familie en vrienden weer graag lijfelijk zien. We zijn altijd al huismussen geweest en vermaken ons uitstekend in en om huis.
Als tegenwicht voor de permanente stroom van verontrustend nieuws probeer ik goede boeken te lezen, het schilderen weer op te pakken, mooie dingen te bekijken, online en vooral ook in de tuin.

Daar is nu veel te zien, het mooiste toon ik hieronder.

De beeldschone donkerpaarse bloempjes van de Akebia trifoliata, een vroegbloeiende klimplant die tegen de pergola tussen de klimop groeit,  zijn vooral prachtig bij zonlicht:




 Mijn volgende favoriet is een in de herfst geplant bolgewas, een witte hondstand (Erythronium "White Beauty"):

 In mijn nieuwe bosje bloeit het groepje nu al prachtig met wondermooie bloemen:


Mijn sterke gele hondstand (Erythronium Pagoda), die op een andere plaats al jaren terugkomt, staat nog in de knop.

De Corydalis (helmbloem) zaait zich overal in de tuin royaal uit, een prachtig stinzeplantje:



 De schattige, kleine scilla'tjes zijn helaas maar schaars in de tuin aanwezig:



 Datzelfde geldt voor de bosanemoontjes. Die lijken te verdwijnen op de plaatsen, waar ik de wortelstokjes ooit heb geplant. Toch heb ik honderd exemplaren in het nieuwe bosje gezet in de afgelopen herfst. Daarvan zie ik nu slechts op enkele plaatsen het blad. Hopelijk slaan ze later toch aan.



 De elfenbloem lijkt ook maar op één plaats goed te gedijen:




Het zelfde geldt voort het lenteklokje (Leucojum vernum), slechts één steeds terugkerend exemplaar:


De mahonia bloeit al langer met een heerlijk geurende bloem:



Maar het speenkruid geeft een vrolijk geel tapijt door een groot deel van de tuin:



 Tot slot de vroege, miskende nectarleverancier voor vroege hommels en bijen, de paardenbloem. Ik ga ze steeds meer waarderen:

 Van harte hoop ik dat jullie gezond blijven!

maandag 9 maart 2020

Cyanobacteriën in mijn tuin: oeroude herkomst (Nostoc commune).


Op de stam van de Metasequoia in onze tuin bevinden zich al enige jaren algen.


Door het natte weer van de laatste tijd gingen ze er steeds vreemder uitzien: het werden slijmerige, bobbelige donkergroene aangroeisels, vooral op de schaduwkanten van de stam.


Ik werd erg nieuwsgierig naar de naam van deze alg.
Een drietal foto’s stuurde ik naar de Facebookgroep Determinatie van Planten en Dieren.
Hieronder de iets vergrote algen:


De alg werd daar met een vraagteken gedetermineerd als Nostoc, definitieve determinatie is alleen mogelijk met de microscoop.
Nostoc is een soort blauwalg, die eigenlijk een (overigens ongevaarlijke) cyanobacterie is.

Cyanobacteriën zijn de oudste levensvormen die we kennen. Ze zijn in staat via fotosynthese zuurstof af te geven. Zo kwam er zuurstof in de tot dan toe (ca. 2,7 miljard jaar geleden) vrijwel zuurstofloze atmosfeer van de aarde, waardoor het plantaardige en dierlijke leven op gang kon komen.

Het leek mij een uitdaging om vast te stellen of het hier inderdaad om een cyanobacterie ging.
Overleg met twee vrienden uit de wereld van ecologie en planten leverde nog geen uitsluitsel op: deskundigen op algengebied schijnen ook dungezaaid te zijn.
Veel googlen leverde wel de meest waarschijnlijke vorm op, namelijk de Nostoc commune. Zie deze site met mooie foto's.
Ook vond ik microscopische afbeeldingen van de bacterie:


Ik viste mijn oude microscoop uit de krochten van ons huis en probeerde of ik daar nog iets mee kon.
Nee dus, het turen door het oculair lukte niet meer met mijn enige goed functionerende oog.
Maar daar bleek mijn echtgenoot nog een microscoop met een LCD schermpje te hebben.
En met wat gepruts en gepeuter kreeg ik bij de grootst mogelijke vergroting zowaar het karakteristieke beeld, waar ik op hoopte: de stukjes “kralenketting”, de ketens van cellen van de Nostoc commune. Zie hieronder een foto die ik van het scherm maakte.


Zo bijzonder vind ik dat: de nazaten van de bacteriën, die zo ongeveer aan het begin van de evolutie van het leven op aarde staan, terug te vinden op onze Metasequoia, die zelf ook nog eens gezien wordt als een levend fossiel, zij het van veel latere tijden. 



In de zomer is de Nostoc commune te zien als een uitgedroogde, zwarte, schilferige laag. De blauwalg, die dus een bacterie is, kan onder barre omstandigheden overleven.

Ik ga kijken of ik nog meer primitieve planten in de tuin heb!

zaterdag 22 februari 2020

Gezellige groep mussen in de tuin.



Al vanaf half november huisvest de tuin een vrolijk tsjilpende groep mussen.

Ze wonen in de coniferen aan de grens, in de grote hulst en de dichte, grote laurierkers.
Van daaruit vliegen ze naar de zaadsilo en de vetbalhouder verderop: af en aan, ruziënd om het beste plekje. Dat betekent wel dat de verwende vogeltjes een hele silo zaad per dag consumeren en zeker twee vetballen per dag.



Onze beloning is groot: de hele dag is het vrolijke gekwetter te horen en steeds zijn er vanuit het raam wel musjes te zien. Naast de steeds aanwezige mussen zien we ook een stel koolmezen, pimpelmezen, soms de boomklever, de vink, de merel en een grote bonte specht.

Passanten langs het fietspad voor ons huis horen de mussen al van verre. Ik schat de groep op zo’n twintig exemplaren.

Tel de mussen:

 
Dit jaar hebben we gelukkig weer royaal de genoemde vogels in de tuin.
Het vorig jaar hield ik voor het eerst een halve zak (van 10kg) zaad over. Er waren véél minder vogels dan de jaren ervoor.
Er was eind 2018 in een bomenrijke tuin schuin achter ons kaalslag gepleegd: de nieuwe bewoner – die nu het huis al weer te koop heeft gezet – had er een strak en glad geheel met tegels en gras van gemaakt.
Ook bij ons moesten eind 2018 en begin 2019 tot onze spijt veel bomen en coniferen na een storm geveld worden. Uiteraard hebben we meteen weer veel jong loofhout nieuw ingeplant.
Wij denken dat dit alles mede de oorzaak was van minder vogelbezoek.
Gelukkig bleef in andere delen van de tuin nog veel dicht geboomte aanwezig als schuil- en nestelplaats voor de vogels. Dit seizoen dus gelukkig weer meer vogels in de tuin.

Het doet me écht goed om elke dag weer de groep musjes te horen en te zien, zeker in een tijd, waarin de vogels het toch al moeilijk hebben.


Ik loop daarom graag elke dag het voer aan te vullen, tot half maart, denk ik.
Musjes houden het meest van de zaadmix en de vetballen met insecten.
De mezen zie ik ook in de pot met vogelpindakaas; en dit spul heeft ook de voorkeur van de specht met z’n mooie rode stuitje.


donderdag 16 januari 2020

Echt vroege krokus en nog meer.



Om mijzelf beter door de wintertijd te helpen zocht ik in het najaar van 2018 naar de vroegst bloeiende krokus. In de catalogus van Nijssen Bulbs vond ik de Crocus imperati subsp. Imperati “De Jager”, bloeiend in januari/februari, een bijzonder mooi krokusje met een romantische beschrijving:


Ik plantte ze in een stukje grond vlak voor de serre, zodat ik ze van binnenuit kon zien.
De eerste bloei vond plaats op de eerste dagen van februari 2019. 


De kleuren komen overigens niet helemaal overeen met de afbeelding in de catalogus, ze zijn minder donkerpaars.

Verrast was ik toen ik vlak na de afgelopen Kerst op 28 december 2019 het krokusje al vol in de knop zag:


Ik herinnerde me van het jaar ervoor dat de imperati heel gevoelig was voor regen en wind, de mooie bloemen gaan dan plat en kapot.
7 januari 2020:

 11 januari 2020:

Dit jaar viel me ook het grote herstelvermogen op, op de een of andere manier ontstaan steeds nieuwe knoppen die, als het weer even meezit, mooi uitkomen en inderdaad een prachtig kleur en lijnenspel laten zien.


Er zijn ook meer bloemen dan vorig jaar, het bolgewasje heeft het op de zonnige en droge plek kennelijk naar de zin.
Alle andere krokussen zie ik nog nauwelijks verschijnen. We hebben hier dus écht te maken met een zeer vroeger krokus, die zich in de zachte winters van tegenwoordig nog vroeger dan vroeg vertoont. 

Ook in deze natte, sombere winters, die misschien nauwelijks echte kou meer brengen, verlangen we weer naar de warmte en het licht van het voorjaar en de zomer, Zo’n vroeg krokusje is dan een teken van een nieuw groeiseizoen.
Samen met het eerste polletje sneeuwklokjes, ook een vroege soort, waarvan ik de naam niet meer weet.


Hoe gaan onze inheemse planten en de bijbehorende dieren om met het zo snel opwarmende klimaat? Daaraan denk ik als ik de nog volop in bloei staande goudsbloem zie: dat is toch bizar?


Zó snel kan de natuur zich niet aanpassen, nauw op elkaar ingestelde verhoudingen tussen plant en dier raken ontwricht.
Toch houd ik mijzelf en mijn naar tuinactiviteit hunkerende handen in bedwang: tot half maart kan er nog heel goed een flinke vorstperiode komen ( zie 2018).
Tot slot een bloeiende roos van de “Rosa New Dawn”, die ik vanmorgen hoog boven de schutting spotte: 



zaterdag 21 december 2019

Hoop in donkere dagen.


Na vandaag gaan de dagen weer lengen, langzaam aan krijgen we weer meer licht en gaan we richting voorjaar.
In deze donkere dagen speuren we naar tekenen van hoop. Die vind je zo maar in de natuur, in je eigen tuin.
In de zaaddoosjes van de kaardebollen is het nieuwe groeiseizoen al enige weken te zien: door de vochtige lucht en de relatief hoge temperatuur is de ontkieming al begonnen.
Een massa kiemplantjes, tegen beter weten in, want de winter moet nog komen en ze hebben de grond nog niet bereikt.


Dat zijn pas hoopvolle plantjes.

Hoop, dat wens ik een ieder toe in deze onzekere tijden.


GOEDE KERSTDAGEN
EN
EEN VOORSPOEDIG 2020

zaterdag 30 november 2019

Minibiotoopjes: herfstige dwergmispels in pot.


Dwergmispels (Cotoneaster horizontalis) met hun kleine blaadjes lenen zich er uitstekend voor om in een pot op te kweken als pre-bonsai ( een boompje dat wellicht ooit een bonsai wordt) of bonsai.
Bij mij blijven de meeste "boompjes in pot" steken in het pre-bonsai-stadium, ik ga er steeds meer tegenop zien om té veel aan de boompjes te snoeien en de potkluit al te rigoureus te behandelen. Tenslotte heeft ook zo’n klein boompje een eigen microwereldje van kleine organismen in de kluit en dat wil ik zo min mogelijk verstoren. Eens per twee, drie jaar wat grond vervangen is voor de meeste boompjes genoeg.
Het bovenstaande ministruikje is een Cotoneaster horizontalis, die een bosje vormt met een kleine lijsterbes en wat vanzelf aangewaaide onderbegroeiing. Ik hou erg van dit soort minibosjes, zie vorige blogposts.
Dit jaar heeft deze Cotoneaster wel een hele mooie rode herfstkleur.

Een andere Cotoneaster, die solitair in een pot staat, vertoont merkwaardig genoeg een gele herfstkleur: verrassend!



maandag 11 november 2019

Nog wat “wilde” plekken in de tuin.



Vlak voor het instorten van de seizoengevoelige vaste planten en het volledig kaal worden van de loofbomen laat ik nog even wat “wilde” plekken zien in de achtertuin.
Gisteren werd alles nog beschenen door een felle zon, het is dan een toptijd voor natuurfotografie.

Rond de vijver is het nog erg mooi:


De Metasequoia verkleurt prachtig:


Het is haast niet voor te stellen, dat deze plek in maart een ravage van kaalslag was:


En het gras Molinia arundinacea “Transparant” is elke herfst weer een blikvanger: