dinsdag 29 november 2022

Steenmarter checkt vorige winterverblijf? Was JIJ het die…


in het vroege voorjaar mijn reukorgaan zo op de proef heeft gesteld met ingrijpende gevolgen?

Die de ruimte onder onze bijkeuken had uitverkoren als winterverblijf met binnen-w.c.?


Die daar geuren produceerde, die aanvankelijk leken op rioollucht, maar later meer weg hadden van een zoete, gasachtige stank, die vooral ‘s morgens hinderlijk aanwezig was?

Waardoor ik in eerste instantie het rioleringsbedrijf raadpleegde, die voor 300 euro een rookdetectie deed om eventuele lekken in de buizen op te sporen:

Geen lekken.

Die mij diverse malen door de bijkeuken deed kruipen met mijn neus in alle hoeken en gaten, waarna ik op de zaterdag voor Pasen boven de gasmeter die geur wel heel pregnant bespeurde.

“Wanneer u een gaslucht denkt te ruiken, dient u uw gasbedrijf te bellen” zo vertelde Google mij.

Het gasbedrijf achtte het noodzakelijk de brandweer alsmede een eigen medewerker naar ons toe te sturen. En droeg mij op: buitendeur open en alle levende wezens naar buiten…

Onze binnenkatten lokte ik met een zoet lijntje naar zolder, luik dicht: het huis zou toch niet meteen ontploffen, anders was het al gebeurd – man naar buiten.

Toen ik zelf naar buiten ging hoorde ik de sirene van de brandweer al. Minstens vier brandweerlieden sprongen uit de auto en renden stijf van de adrenaline over de oprit achterom de bijkeuken in met het gasdetecteerapparaat.

Geen of te weinig gas om te meten: wachten op het gasbedrijf.

Twee politieagenten bij de deur. “?”

“Wij moeten bij een gaslek de straat afzetten.”

“O, nee, wat heb ik gedaan, had ik maar nooit gebeld…”

Agente: “Mevrouw, als u denkt gas te ruiken, moet u dit melden”.

Na een tijdje kwam de medewerker van het gasbedrijf de meter demonteren, opnieuw aansluiten en de gasleidingen via een drukmeting controleren op lekken.

Geen lekken.

Men zei: het kan een beest zijn geweest, ratten of een steenmarter, die in de kruipruimte de stank veroorzaakten.

Toen iedereen na anderhalf uur weer vertrokken was, trokken wij de koelkast open om onze stress weg te eten met het grootste stuk taart daar aanwezig en veel sterke koffie.

In de weken erna trok de stank langzaam weg. Intussen brachten we zo veel mogelijk bij kieren en gaten langs de onderranden van het huis met gaas en stenen versperringen aan.




N.B. Manlief had al die maanden niets bijzonders geroken – zijn reukvermogen is de laatste jaren minimaal.

Toen het eind oktober weer kouder ging worden, besloten we de inmiddels aangeschafte Wildcamera weer te plaatsen bij de verdachte toegangsroute tot de krochten onder de bijkeuken. In de zomer leverde dat slechts beelden van de buurkatten op.

En ja hoor: twee weken geleden bij het uitlezen: beet! Een marterachtige (steenmarter?), die precies op de verdachte plekken zat te rommelen en te snuffelen, op foto en video.





Was jij het die je winterverblijf kwam inspecteren?

Ik spuit nu met stankjes ( etherische olie in een wateroplossing ; tea tree, citroen) langs de muur en voor alle zekerheid onder de auto. En hoop dat hij / zij een ander winterverblijf gaat zoeken.


vrijdag 16 september 2022

Hügelkultur: mijn houtbed voldoet pas na vier jaar.

Kennelijk moet je geduld hebben om de effecten van de permacultuurheuvel te zien.

Mijn - volgens de principes van de Hügelkultur in april 2018 aangelegde - takkenheuvel zou goed droogte moeten kunnen doorstaan, omdat de ondergronds aangebrachte verterende takken als een soort spons het vocht zouden vasthouden en langdurig voedingsstoffen zouden afgeven.

Welnu, gedurende de eerste zeer droge jaren hield de heuvel niet genoeg vocht vast en leverde onvoldoende voedingsstoffen. De rabarber, die ik vier jaar geleden op de heuvel plantte, verkommerde door gebrek aan dit alles, ik heb hem twee jaar geleden “gered” , waarna hij in rijke grond volledig bijkwam.

Vorig jaar en afgelopen winter waren vrij nat. Hieronder de heuvel in mei 2021:



Eind september 2021:



Eind maart 2022, ik heb een overvloed van geraniums verwijderd alsmede geel bosgierstgras, dat vorig voorjaar nogal overheerste:


Dit voorjaar was ik wel enigszins ongerust, toen ik een viertal ronde gaten zag, die diep de heuvel ingingen.

 





Vermoedelijk de woonplaats van bosmuisjes, aangezien ik een overleden exemplaar aantrof in de tuin. 

Ik neem aan, dat ze er nog wonen, maar ik heb geen enkel spoor van schade aan de beplanting waargenomen. Dus: leven en laten leven. De muisjes moeten trouwens toch erg op hun hoede zijn in onze tuin, omdat hier een druk belopen corridor ligt voor allerlei interessante buurpoezen, die, temidden van de stenige en nette tuinen om ons heen, onze wildernis beschouwen als een favoriete plek.

Na dit voorjaar hadden we een uitzonderlijk droge en warme zomer. Veel planten in de tuin leden daaronder. Ik sproeide alleen mijn potplanten, enige nieuwe aanplant en een paar zeer geliefde “speciale gevallen”

Maar niet het heuvelbed, dat inmiddels was ingeklonken tot een heuveltje, eind mei 2022:



Eind juni 2022:

Eind augustus 2022:


Begin september 2022:

Tot mijn grote verbazing bleef de heuvel de hele zomer door groen en fris, hoewel de middagzon er een aantal uren flink op scheen. Ik moet concluderen dat na vier jaar het grotendeels verteerde hout wel degelijk als een spons heeft gewerkt. Een aantal planten, vooral de bloedzuring, heeft diepgaande wortels en werkt als een waterpomp voor de rest van de planten.

Voor de liefhebber zal ik onderaan opschrijven welke planten de heuvel volledig bedekt hebben.

Op de heuvel lijkt een aardig evenwicht te ontstaan in de beplanting.

Maar, zoals we weten, elke evenwicht is tijdelijk en veranderlijk, volgend jaar lijkt er bij voorbeeld een mooie teunisbloem te gaan oprijzen; het rozet is al aanwezig.

Ik ben er niet op uit om een eetbare beplanting op de heuvel te behouden, al plantte ik eetbare soorten, zoals brave hendrik, bloedzuring, bosaardbei, lavendel, roomse kervel.

Bloedzuring en bosaardbei: 



Lavendel, rozet teunisbloem, bosaardbei en hondsdraf:


Bronzen zenegroen, bosaardbei en hondsdraf:






zaterdag 27 augustus 2022

Een soort oertomaatje.

 Al jaren kan ik het niet laten om tomaten in een grote pot op te kweken.

Toen ik in de winter op zoek was naar zaden van lekkere, ziektebestendige, zelftoppende buitentomaatjes kwam ik bij een particuliere zaadverstrekker een wild tomaatje tegen, dat in een akker was gevonden met een “nauwelijks in te tomen groei”, met knikkergrote tomaatjes van een “variabele” smaak.

En zo zaaide ik, naast mijn eigen jarenlang verzamelde zaad van de Siberian egg, een duiveneitomaatje en een tweetal pingpongsoorten ook dit wilde tomaatje.

Dit warme, droge jaar is een uitstekend tomatenjaar, waarin phytophthora nauwelijks kans krijgt.

Vanaf twee weken geleden kan ik dagelijks tomaten oogsten.



De wilde soort groeide met vele lange uitlopers, waaraan trosjes met piepkleine tomaatjes, iets kleiner dan een kers.





Het moment was aangebroken om de eerste exemplaren te proeven. Ik at drie tomaatjes: wat wrang, niet echt zoet of zuur, eerder licht bitter. Al snel een irritante prikkeling in de keel, die pas na een uur wegtrok. Mijn man at er ook een paar en had geen last.

Ik nam ze niet meer. Een paar dagen later at echtgenoot vóór de maaltijd 10 van deze tomaatjes.

Toen we aan het dessert begonnen, zei hij zich niet zo lekker te voelen. Dit hield een paar uur aan.

Googlen op solanine en tomatine in onrijpe tomaten leerde dat de aanwezigheid van deze stoffen een bittere smaak geven en een brandend gevoel in de mond.

Toen ik de omschrijving van het betreffende zaad bij de verstrekker nog eens opzocht, bleek vermeld te staan; “vrij veel solanine en tomatine (let dus op bij tomatenallergie)”.

Wij beiden zijn niet allergisch voor tomaten, maar hebben kennelijk wel gereageerd op de genoemde giftige stoffen.

De conclusie: we hebben hier te maken met een zeer dicht bij de oertomaat (uit de Andes) staand tomaatje, dat nog in rijpe vorm solanine en tomatine bevat, bitter, om insectenvraat te weren.

Jaren en jaren van selectie, sorteren, kruisen hebben de ongewenste eigenschappen van het Andestomaatje eruit gekweekt om een zoete, gifvrije vrucht te verkrijgen.

Op een niet meer te achterhalen manier heeft de natuur kans gezien op een akker deze veredeling terug te draaien, waardoor een soort wild oertomaatje is ontstaan.

Het blijft ontzettend leuk, om dit tomaatje zelf in potten te hebben opgekweekt.

Net zoiets als de oeros terugfokken – nou ja, dat is even iets anders ; - )


Bij dit oertomaatje moest ik steeds denken aan de oererwt, die de hoofdpersoon in de roman “Wormmaan” wil terug kweken.

Dit boek, dit jaar bekroond met de Libris literatuurprijs als beste literaire roman van het jaar,  is geschreven door de biologe Mariken Heitman. Prachtig van taal, met een originele invalshoek verhaalt ze over een plantenveredelaar, die nadenkt over het veredelen van planten richting de gewenste soort tegenover de maatschappelijke druk van het normeren en aanpassen van “gewenst” mannelijk en vrouwelijk gedrag en dit in historisch perspectief. Een plantenliefhebber doet tussen de bedrijven door nog informatie over veredelen op.

Het opkweken van het wilde tomaatje was een leerzaam experiment - dat ik volgend jaar niet herhaal – waarbij we geen schadelijke, fysieke gevolgen opliepen.

Ik denk erover, de planten toch maar in de groene container te laten eindigen, om uitzaai in de tuin te voorkomen.

Voor alle zekerheid heb ik de zaadleverancier wel per mail op de hoogte gesteld.



 



vrijdag 22 juli 2022

Twee soorten moerasspirea.


Op warme dagen heb je behoefte aan wat nattigheid, daarom wat foto’s van de twee soorten moerasspirea die nu bloeien in de tuin (hierboven Filipendula rubra ”Venusta”)

Aan de noordzijde van onze vijver / poel breidt de roomwitte moerasspirea (Filipendula ulmaria) zich – ondanks de droge jaren – uit.


In het wild komt deze vrij lang bloeiende soort voor op vochtige plaatsen in de zon. “Koningin der weide” wordt deze mooie vaste moerasplant wel genoemd.


Tot mijn verbazing hebben de planten de droogte en de hitte van deze week tot nu toe goed doorstaan, kennelijk is de grond nog voldoende vochthoudend, ik heb ze niet besproeid.


Aan de noordzijde van het huis groeien in de halfschaduw, temidden van de prille bloeiaren van de astilbes, tot mijn verbazing weer een aantal roze moerasspirea’s (Filipendula rubra ”Venusta”, oorsprong Noord Amerika en Canada):



Deze prachtige tuinplanten groeiden jaren geleden op die plek, lang vóór de laatste droge jaren. Door gebrek aan vocht verdroogden de bloemen toen al jaar na jaar in de knop, het was een zielig gezicht. Op een gegeven moment kon ik het niet meer aanzien: ik heb de plant met wortelstok en al zoveel mogelijk verwijderd. Ondergronds bleef kennelijk het één en ander over en dit jaar besloot de plant te laten zien hoeveel schoonheid die nog in petto had: een stuk of vijf prachtige bloeiwijzen, ook ik associeer ze met vrolijke roze suikerspinnen, die ik in mijn jeugd op de kermis kreeg.

In de tuin kom je toch steeds voor verrassingen te staan!

Ik vermoed de plant zich enigszins heeft aangepast aan drogere omstandigheden; ook daar heb ik niet gesproeid. Uiteraard ga ik hem niet meer verwijderen.

De foto’s van deze roze soort zijn vlak voor de hete dagen gemaakt, het roze is nu minder mooi en zal gaan verwelken.

zondag 10 juli 2022

Het is een bostuin geworden.


De weelderige groei van de laatste anderhalf jaar heeft van de tuin een ware bostuin gemaakt.

We lopen nu langs kleine houtsnipper-paden door vrij hoge begroeiing, waardoor je het gevoel krijgt in je in een bosachtige tuin te bevinden. En dat is precies, wat ik wil.

Ik neem jullie mee op een rondje tuin.

Vanaf het nieuwe bosje kijken we naar de achterkant van het huis: ( zie ook eerste foto boven):


Langs de zwarte vlier terug in oostelijke richting:


Verder oostwaarts naar het noordelijk gelegen stuk tuin:


Deel noordelijke tuin richting noordwest:


Weer terug:


De vijver / poel, steeds meer verstopt tussen de begroeiing:


Richting de schuur:


Het lage terrasje met een aantal bomen in pot:


Er is op dit moment nog zoveel moois te zien, maar dat bewaar ik voor volgende blogposts.

“Doe dat dan ook, Zem, en wacht niet weer een maand!”

“Ja, ik ben het echt van plan, maar ik was zo druk met hop uittrekken en teekjes uit mijzelf te peuteren”. ; – )




vrijdag 20 mei 2022

Hop in de tuin: bezint eer ge begint!

 

Het lijkt zo leuk: een hopplant (Humulus lupulus) in je tuin. Maar dan een vrouwelijk exemplaar met massa’s mooie hopbellen aan het einde van de zomer.

Om écht een vrouwelijke plant te verkrijgen, is het verstandig deze aan te schaffen bij een goede kweker / tuincentrum. Anders loop je het risico, zoals mij overkwam, een mannetjesplant te krijgen, die slechts massa’s hele kleine bloempjes produceert ( zie foto hierboven bovenop de Japanse esdoorn)).

Maar de hoofdreden om je aankoop nog eens goed te overwegen is de ongelooflijke groeikracht van de hop, die ik volkomen onderschat heb.

Ik heb de hop nu zo’n vijf jaar in de tuin staan. De eerste jaren was er sprake van een bescheiden groei. Leuk, dacht ik, om de plant op nóg een aantal plaatsen aan de rand van de tuin lekker omhoog te laten klimmen. Tegen de nieuwe schermen bij voorbeeld.

Ook droge jaren 2018, 2019 en 2020 zorgden voor bescheiden groei. Maar het nattere 2021 zorgde voor een explosieve uitbraak, waar ik in deze blogpost over schreef.

De hop bleek in staat metershoge bomen en struiken in te pakken en dat was toch niet de bedoeling. 


Dit voorjaar hebben we g
rote knoedels oude stengels voorzichtig uit de Japanse esdoorn en de Rhododendron verwijderd.

Ik besloot op alle plekken, waar ik de hop geplant had, deze uit te spitten. Ja, ja: ik trof meterslange, duimdikke wortelstokken met talloze (beginnende) uitlopers aan, die zich ook nog eens royaal een weg hadden gebaand naar ontoegankelijke plaatsen onder de begroeiing. 


Waar het kon, spitte en trok ik deze eruit.

De enige manier om de plant vanaf nu in toom te houden, is, om en paar keer per week alle zichtbare uitlopers consequent uit te trekken, om zo de wortelstokken uit te putten. Een uitloper van een week kan in deze tijd al een hoogte van 1,5 meter hebben bereikt.



Conclusie: de hop, vrouwelijk of mannelijk, is ongeschikt voor een tuin. Het zijn lianen voor een bos. Of – de vrouwelijke planten met de hopbellen – voor een hopkwekerij.

Bezint, eer ge begint!


dinsdag 5 april 2022

Mijn stokoude vlinderstruik leeft nog en hoe.


 Oud, maar niet dood: en ‘s zomers bloeiend alsof de vergankelijkheid niet bestaat.

De nu 25 jarige vlinderstruik (Buddleja davidii), die als zaailing zelf zijn plekje in onze tuin had gevonden, is volledig herrezen, nadat ik hem in mijn blog van 8 november 2014 als afgeschreven beschouwde.

Onze hovenier adviseerde destijds al hem nog een kans te geven, en zowaar: jaar in jaar uit beloont hij ons – 3 meter hoog - ‘s zomers met een weelde aan bloemen.



De gouden regel is, dat je zo’n oude struik niet meer tot 50 cm boven de grond terugsnoeit in het voorjaar. Met beleid licht bijsnoeien en dood hout verwijderen is het beste.


Kijk eens naar de beide, eerbiedwaardige stamvoeten.


De mooiste “voet” is die hieronder, gedraaid en gekronkeld:


Je kunt ook zien dat er jongere scheuten naast de oude zijn gegroeid: een natuurlijk proces van verjonging. De afgestorven stammen van zes jaar geleden zijn vermolmd en verteerd.


Ik voel me verwant met zo’n oude, toch steeds weer volop bloeiende, vlinderstruik.

“Zet hem op” zeg ik tegen hem en meteen ook tegen mijzelf.