Eigenlijk is het onnatuurlijk, een boom
in een pot te laten opgroeien, zoals hierboven een ongeveer 10-jarige
larix. Een boom hoort de ruimte te krijgen in de volle grond op een
geschikte plek.
Maar tóch worden bomen in een pot
gehouden. Omdat men het leuk vindt of omdat men het als een kunst
beschouwt. Kunst? Ja, en dan heet het “Bonsai”.
Bonsai betekent “boom in pot”, en
de bedoeling ervan is om boompjes zodanig gezond in potten te laten
opgroeien, dat ze qua vorm in miniatuur lijken op hun grote
soortgenoten in het wild. Daartoe worden geraffineerde
snoeitechnieken toegepast, waardoor het blad véél kleiner wordt en
het wortelgestel beperkt blijft. Dat lijkt onnatuurlijk, maar ook in
de natuur vinden we schitterende miniatuurbomen op arme grond of in
spleten of stenige plekken waar het wortelgestel geen kant op kon en
kroon en blad door wind, invriezen of vraat van dieren beperkt is
gebleven.
Nu ga ik het hier niet hebben over de
Bonsaikunst. Ik heb zelf in de jaren tachtig van de vorige eeuw een
cursus Bonsai gevolgd. Daarvan heb ik veel geleerd over bomen en
snoeien. Maar ik ben niet een echte designer en ook een beetje lui,
zodat mijn boompjes in pot soms heel aardig zijn en een bonsai
benaderen, maar vaker blijven steken in een voorstadium van een
bonsai.
Desondanks is het heel leerzaam om een
boom in pot te laten opgroeien met behulp van wat basistechnieken,
ontleend aan de Bonsai. Je leert een boom heel goed kennen.
Het is bovendien een lange termijnproject,
slow gardening en bij verhuizen kan de boom altijd met je mee.
Uitgangspunt is, dat je in beginsel
nooit zó maar, zonder nadenken, jonge boompjes uitgraaft uit bos,
veld of tuin. Strikt genomen is het verboden om iets weg te nemen
vanaf de grond van een ander. Daarbij staat voor veel uitgegraven
planten de dood te wachten: ze redden het niet.
Als je het tóch doet, is de meest
geschikte tijd het moment, waarop het boompje nog niet in blad is
gekomen en zo jong mogelijk is. Een zaailing dus of een één of
tweejarig boompje. Zo ben ik met veel van mijn boompjes begonnen, óók de larix van de eerste foto.
In je eigen tuin komen boompjes op,
maar ook langs of op paden in bos en veld of op bouwterreinen.
Plekken, waar het boompje tóch niet zou kunnen opgroeien.
En er zijn natuurlijk noodsituaties:
een terrein zal ontruimd worden en er staat een mooie plant....
Hieronder een kleine fotohandleiding
hoe je met de grootste kans op succes te werk kan gaan bij het in pot
zetten van een uitgegraven boompje (hieronder al in blad).
 |
| Rosa glauca uitgraven met spitvork |
Het boompje wordt zo ruim en diep
mogelijk uitgegraven, het liefst met een kluitje. Ik gebruik daarvoor een spitvork of penwortelsteker.
 |
| beukenzaailing met penwortelsteker, mooi kluitje |
Vaak lukt dat niet en houd je een een
kale wortel over, zoals hier. Laat de wortel(s) nooit uitdrogen, leg
de plant in de schaduw of wikkel ze in een natte doek of tissue.
 |
| rosa glauca met te kleine wortel: dus na oppotten takjes terugsnoeien |
Een penwortel kan heel lang zijn, wat
het oppotten moeilijk maakt. Die zou je kunnen terugsnoeien, maar let
erop dat er vooral haarworteltjes overblijven, anders gaat de plant
het niet redden.
Oppotten doe je in een normale, liefst
onbemeste, pot- of tuingrond, wat grof zand erdoor mengen
vergemakkelijkt de wortelvorming.
Als je het wortelgestel hebt ingekort
moet je ook het boompje terugsnoeien, kroon en wortelgestel moeten in
evenwicht zijn. Het boompje overleeft het beter als het
wortelgestel minder bovengrondse plantendelen hoeft te voeden.
Kijk goed hóe je terugsnoeit. Doe het
met overleg. Het komt er vaak op neer dat je topt. Ben je dan je top
kwijt? Ja, maar in een volgende blog leg ik uit, hoe je later een
nieuwe top kunt maken.
Bij snoeien van takjes, snoei je altijd
terug op een naar buiten wijzende knop (oog). Dat geldt eigenlijk
altijd bij snoeien. Je krijgt anders lelijk naar binnen wijzende
takken.
Bij bomen in pot wil je de
tussenruimtes tussen de plekken, waar de takjes en de bladeren
ontspringen zo klein mogelijk hebben: zo klein mogelijke internodiën dus.
Ook wil je het blad wat kleiner hebben. Dat bereik je door het door
de pot beperkte wortelgestel, het geregeld bijsnoeien van de kroon en
door nooit te veel te bemesten.
Tenslotte
worden de opgepotte boompjes begoten en in de schaduw gezet, zodat ze
niet uitdrogen. In de zon hebben de eerste tijd ze geen schijn van
kans! Zelfs goedgewortelde bomen in vrij kleine potten lopen in de
volle zon risico om uit te drogen, ik houd ze in halfschaduw en check
de grond in voorjaar / zomer dagelijks.
De
gemakkelijkste boompjes zijn wilgen en elzen. Deze kunnen namelijk
altijd in een bak met water staan. Daar kunnen ze heel goed tegen.
Het betekent dat je er gemakkelijk een paar weekjes bij weg kunt
gaan.
Hoe
groter de boom in zijn natuurlijke staat en hoe groter het blad (
paardenkastanje, gewone esdoorn, noorse esdoorn), hoe moeilijker om
het een beetje attractief in een pot te houden.
Kleinbladige
soorten lenen zich er beter toe.
Favorieten
bij mij zijn: japanse esdoornsoorten, larixen (gaan heel snel),
beuken (gaan ook snel en worden prachtig).