Voor deze operatie wordt de serre volledig met plastic afgedekt en alle grinden, gronden, zanden, enz. naar binnen gehaald.
De echtgenoot, die zich meestal graag met een boek in de serre terugtrekt, zoekt een goed heenkomen en ik ga aan de slag. Acht dagen duurde deze klus dit jaar en dan heb ik rond de 90 planten verpot.
Elk boompje wordt goed nagekeken; de wortels wat losser gehaald (met de achterkant van een oude pollepel) en iets ingekort met een schaar. Snoeien doe ik nu meestal niet, de plant krijgt zó al stress genoeg.
De (nieuwe) pot heeft altijd een afwateringsgat waar een potscherf of een stukje horregaas op wordt gelegd. Daarop een centimeterdik laagje grind voor een betere drainage.
We gaan uit van gewone potgrond, die neutraal tot lichtzuur is. Zuurminnende planten krijgen wat extra (tuin)turf; kalkminnaars een handje maërl (natuurlijke zeewierkalk = een langzaam werkende kalksoort). In de meeste gevallen meng ik één deel potgrond met één deel (voeg)split - korrelgrootte 1 - 3 mm -, dat goed afwatert en zorgt voor een betere beworteling. Grof, scherp zand kan eventueel het split vervangen.
Potgrond is tegenwoordig voorzien van een lange termijn-mest, zodat de mest in eerste instantie achterwege gelaten kan worden.
Hoe weet je nu wat voor grondsoort je boompje, kuipplant of kamerplant ambieert? Even googlen op bijvoorbeeld "grondsoort malus" en je vindt die info wel.
En nu is de klus weer klaar en kunnen de boompjes in hun verse grond rustig gaan uitlopen. De serre is opgeruimd en de echtgenoot kan zijn plaats morgen weer innemen.



