Tot de zeer vroege
bloeiers behoren ook een aantal Euphorbia’s ofwel wolfsmelksoorten.
Ze heten zo, omdat
het melkwitte sap, dat ze bij beschadiging afscheiden, irriterend is
voor de huid. Zoveel mogelijk afblijven dus, anders handschoenen
aandoen en oppassen voor de ogen.
Ik heb drie soorten
in de tuin. De grootste en meest imposante is de Euphorbia characias
subsp. wulfenii, geschikt voor drogere, zonnige plaatsen. Ik heb hem
aan de voorkant van het huis op het zuiden gezet. Hij is schitterend
met het blauwgrijze blad en de gele bloemen, die nu volop staan te
pronken.
De plant komt goed
door de winter, ik heb geen vorstschade gezien. Hij is wintergroen en
ik vind hem ook in herfst en winter prachtig.
Iets meer naar het
pad toe heb ik een lagere soort neergezet, met even mooi, compacte,
blauwgroen blad, de eveneens zonminnende kruipende wolfsmelk,
Euphorbia myrsinites. Ook deze bloeit op dit moment erg mooi.
Met wat keien,
gecombineerd met siergrassen kun je met deze twee planten op een
beperkt stukje grond een heel aardige, subtropisch aandoende
combinatie maken.
Aan de westkant van
het huis heb ik op een iets minder zonnig plekje al jaren lang de
cipreswolfsmelk, de Euphorbia cyparissias “fens ruby”. Deze komt
schitterend met donkerrode minicipresachtige stengels uit de grond en
gaat straks ook royaal, maar fijntjes geel bloeien.
Nette tuinierders
hebben een hekel aan deze plant omdat de wortels zich ondergronds met
uitlopers verspreiden, waardoor je op allerlei plaatsen nieuwe
planten ziet komen.
Ik trek me er niet
zoveel van aan. Soms wied ik wel eens wat weg, maar het spul is zo
charmant, dat ik het meestal tolereer.
De eerste twee genoemde
soorten zijn overigens veel bescheidener met uitbreiden.
Er zijn nog meer
soorten, die door de gespecialiseerde kwekers worden aangeboden. Voor
de liefhebber is daar altijd een geschikte soort te vinden.





