Op mijn mooie Oost-Indische kers spelen
zich boeiende taferelen af.
De plant in een hoge bak begon ineens
een beetje te kwijnen. Toen ik wat beter keek zag ik dat zich er
complete kolonies zwarte luizen hadden gevestigd, die zich tegoed
deden aan de sappen van de plant terwijl ze een kleverig goedje
uitscheidden.
Toen ik nóg beter keek bleek er een
regelrecht mierenstraatje te lopen vanaf de bak naar de grond, waar
zich tussen de tegels een opening bevindt naar een mierennest.
Met andere woorden: deze mieren zijn de
hoeders van de kudde luizen. Je mag hier dus wel spreken van het
herdersleven van de mieren: een mierenpastorale
De mieren zuigen de zoete afscheiding
van de luizen op. Ze verzorgen hun kudde en je ziet ze heen en weer
lopen naar het nest.
Ik vind zulke waarnemingen altijd heel
erg leuk. Ik heb eigenlijk een zwak voor mieren - als ze me maar niet
steken, want daar krijg ik flinke bulten van.
Als kind heb ik wel eens een nest
overgebracht in een simpel van gips gemaakt formicarium.
Sindsdien heb ik grote bewondering voor hun ingenieuze nesten en hun
sociale leven.
Ik verdelg dan ook
geen mierennesten, waarom zou ik? De mieren komen hier niet binnen.
Ik heb wel eens een rijtje met gekneusde teentjes knoflook langs de
deurpost neergelegd of watjes met tea tree oil: ik had het idee dat
het hielp. Ook effectief bij de ingang van je tent: het weert ook
andere insecten af.
Maar, het is wel
een beetje jammer van de Oost-indische kers, die wellicht tóch niet
zo'n goede plaats had. Ik oogst de zaden en ga volgend jaar
experimenteren met een andere plek.



