zaterdag 10 september 2016

Laat je inpakken door de wilde bosrank (Clematis vitalba).


Al vaker heb ik een loflied gezongen op de wilde bosrank, de Clematis vitalba.
Het moet meer dan 10 jaar geleden zijn, dat ik hem plantte in ons bosje vóór een enorm hoge en brede Prunus laurocerasus. Hij is nu metershoog en bedekt een groot gedeelte van die prunus. (foto hieronder dateert van begin augustus)


Al een aantal weken bloeit de bosrank onverminderd royaal door en trekt een menigte aan insecten aan. De fijne bloemen zijn heel mooi en geuren zacht. In de winter krijg je een grote hoeveelheid prachtige zaadpluizen. En deze zaden komen het jaar daarna overal op met de bedoeling ervoor te zorgen dat hele woonstedes ingepakt gaan worden door de bosrank.
Dat is niet overdreven. Hij is hier langs de prunus bezig naar de lijsterbes te klimmen. Ik schat de bereikte hoogte nu zo’n 7 meter.
De stengels zijn nu al haast 8 cm dik, het zijn echte lianen geworden, je kunt ze bij wijze van spreken als rekstok gebruiken.


Ook langs onze schutting heb ik hem geplant. Dat is w.s. niet zo verstandig geweest, want hij wil de poort dichtwoekeren, die moet ik twee maal per week vrijknippen en hij is op weg het dak van de schuur te beklimmen.



Hoe ontzettend mooi de plant ook is – kijk hieronder maar naar de combinatie met de New Dawn klimroos – toch denk dat ik er verstandig aan doe hem in het rustseizoen weg te halen bij de schutting.


En, om de relatie met mijn buurvrouw niet te veel onder druk te zetten, zal ik hem bij de prunus ook wel een kopje kleiner moeten maken.


Het vreemde is, dat de plant wordt gezien als een kalkindicator en ik tuinier op echte zure turfgrond.
Wellicht zit er puin in de grond? Of is de plant minder kieskeurig dan we denken?

De groeikracht is dus enorm. Hij is eigenlijk niet aan te raden voor een kleine tuin. Dan ben je, als hij eenmaal goed aan de groei is, het hele jaar door bezig hem te plagen door hem terug te snoeien.

Maar als je de ruimte hebt en als je van deze wildebras kunt houden: laat je dan gerust inpakken door de bosrank, één van onze inheemse lianen.

zondag 4 september 2016

Keyhole-garden: mijn mini moestuintje begin september.


Als ik de foto’s vergelijk van 29 mei en van gisteren ( zie hieronder) van mijn sleutelgattuintje ( keyhole-garden), dan kan ik nu werkelijk met tevredenheid kijken naar de resultaten van dit experimentele project tot nu toe.




Het ziet er goed uit, het is een levendig permacultuurtuintje geworden én: ik heb nauwelijks onderhoud eraan gehad. Water geven deden de weergoden, ongewenst kruid heb ik niet gezien.
Maar: het was toch een moestuintje? En daaruit wordt toch geoogst en gegeten?
Tja, als je het zo bekijkt: we hebben twee tot drie maaltijden eraf gehaald en dat betrof de radicchio en de snijbiet.
Op de foto van eind mei zie je linksvoor wat kropjes radicchio staan, een soort groenlof, familie van de andijvie. Een sterke plant, en ook redelijk slakbestendig door het wat stugge blad. De kropjes hebben we een maand geleden kort zachtjes gestoofd en met een lepel ricotta aangemaakt gegeten. De ricotta verzacht het bittere: zeer aanvaardbaar.
Groenlofsoorten ga ik volgend jaar zeker meer planten.
Worteltjes en peultjes: dat is niks geworden. Te veel naar achteren gezaaid, waar het in de schaduw kwam te staan en te droog werd zo vlak bij de muur. Dat hoef ik volgend jaar niet weer te proberen.
De gezaaide goudsbloem en kamille heb ik nooit meer gezien. De bieslook is armetierig.
De Oost-indische kers heeft het super naar de zin, daarvan kunnen de blaadjes en de bloemen in de sla.


De palmkolen hebben zich goed hersteld van de vraat van het koolwitje. Waarbij opvalt dat één palmkool het mooist is geworden. De palmkool ernaast heeft kennelijk te veel energie moeten steken in het “naar voren kruipen” en ziet er minder goed uit: beide kolen wilden richting zon, werkten hun stengel plat over de grond naar voren en richtten zich weer op. (foto hieronder van 14 augustus)


Ik vind het altijd ontzettend leuk om te zien dat een plant in staat is tot aanpassen.
De palmkool vond ik tot nu toe te mooi om op te eten, dat komt later wel ;-)
De blauwachtige koolplant vooraan is de zeekool, een vaste plant, die ik eerst een tijdlang wil observeren.
Ook de kleurige snijbiet vind ik ook nog te mooi, daarvan oogst ik zo nu en dan wat blad.


Aan het einde van de zomer vind ik het vooral ook een heel aantrekkelijk zijtuintje geworden.


In de winter ga ik nadenken over de beplanting voor het volgende jaar. De grond zal dan een stuk beter gesettled zijn en ik ga, wat mislukt is, w.s. niet prolongeren.

dinsdag 23 augustus 2016

Het hoekje vóór de Macleaya’s.


Het stukje tuin vóór de Macleaya’s is op dit moment erg mooi. In september 2014 heb ik wat planten toegevoegd: een paar bleekrose Persicaria’s ( Persicaria amplexicaulis “Pink Mist”) en een aantal Physostegia’s (scharnierbloem). Deze planten moesten het geheel levendiger maken.

Persicaria amplexicaulis “Pink Mist”

Physostegia
Er stonden al een paar uitgezaaide kattenstaarten, waar ik altijd erg blij mee ben.


kattenstaart
Verder twee soorten witte Phloxen: een vroegbloeiende (juli) en een laterbloeiende (augustus).
Deze zijn wel érg wit, waardoor ik wat ambivalent tegenover ze sta. Maar het zijn wel oersterke, schimmelvrije soorten, die heerlijk geuren, dus handhaaf ik ze.
Dan staat er nog een groep witte Eupatorium (koninginnekruid of leverkruid), die veel insecten aantrekt (zie hieronder).




Van de Persicaria’s heb ik destijds slechts twee exemplaren aangeschaft, wetend, dat ze zich snel zouden vermeerderen, wanneer ze zich thuis zouden voelen. En ja: het wordt al een leuk groepje.
De mix, die hier is ontstaan, spreekt me aan. De planten zijn dit jaar ook flink hoog geworden door de vele regen.
De Macleaya’s hebben op de achtergrond in de loop van de jaren een stabiel groepje gevormd, met als buren links wat varens (zie allereerste foto).
Men waarschuwt altijd voor de prachtige Macleaya’s (pluimpapavers), die wel 2 meter hoog kunnen worden. Ze kunnen woekeren. Ze woekeren hier absoluut niet. Ze hebben wellicht wortelconcurrentie van de bodembedekkende klimop en de varenburen. Op deze manier hebben we ook daar een mooie biotoop gekregen: de varens en de Macleaya’s gaan plat in de winter, maar dan is er nog de klimop.


bloeiende Macleaya

Iedere tuinier zal het herkennen: je bent steeds aan het kijken of een stukje tuin je bevalt. Zijn er nog verbeteringen mogelijk? Soms kan een kleine wijziging een grote lift-up geven.

Nu is het zaak om goed te kijken en eventueel in september wat te verplanten: je herkent de planten nog goed, de grond is nog warm en meestal vochtig, zodat de planten nog vóór de winter goed zijn aangeslagen.

zondag 7 augustus 2016

Jakobstuin: wát een tuin!


Afgelopen week bezochten we de bijzondere Jakobstuin in Jistrum ( Noord Friesland). Alle foto's in deze blog tonen deze tuin.

het "blonde"gras is Nasella (oude naam Stipa) tenuissima

De tuin is ontstaan nadat de eigenaar, Jaap de Vries, jaren geleden gegrepen werd door het tuinvirus tijdens een bezoek aan de toenmalige tuin van Ton ter Linden in Ruinen.
Jaap ging zich verdiepen in de tuinopvattingen van de z.g. Dutch Wave, een Nederlandse beweging die een natuurlijk ogende beplanting voorstond met sterke planten, die door de seizoenen heen interessant blijven. Siergrassen gingen hierin een belangrijke rol spelen.
In mijn post over de jongste tuin van Ton ter Linden, die inmiddels niet meer toegankelijk is voor publiek, schrijf ik hier wat meer over.


Nasella (oude naam Stipa) tenuissima en Pennisetum "Karley Rose"
Toen Jaap begon met de aanleg van de Jakobstuin in 2009 heeft hij zich voornamelijk laten leiden door Piet Oudolf en de prairietuinen. Piet Oudolf heeft een aantal boeken geschreven, waarin hij zijn ideeën uiteenzet en veel aanwijzingen geeft.
Zelf heb ik erg veel geleerd van het boek, dat hij met Noël Kingsbury schreef: “Ontwerpen met planten”.
Veel beplantingsschema's vind je in hun boek: “Plannen en planten”.

De tuin omvat zo’n 3000 m2 en maakt deel uit van een groter terrein van 1,5 ha, waarop huis met (moes)tuin, weide én een Bed & Breakfast, “de Coulisse”.
Wanneer een bezoek aan Noord Friesland wat ver is, zou een overnachting ter plaatse een hele aparte ervaring zijn: je kunt de tuin op alle momenten van de dag zien. Voor de zomermaanden dien je wel tijdig te reserveren.

De tuin is een echte zomer- en nazomertuin, zoals de meeste prairieachtige tuinen dat zijn. In juli, augustus en september is de tuin voor publiek toegankelijk op donderdag van 11.00 tot 17.00 uur.

Stipa ichu, Stipa tenuissima,  Pennisetum "Karley Rose" en Allium sphaerocephalon

Jaap maakt zelf wondermooie sfeerfoto’s in zijn tuin. Hij zet deze op de website en op facebook.
Zijn tuin trekt inmiddels ook internationaal de aandacht.



De tuin beantwoordde volledig aan mijn hooggespannen verwachtingen. Wat een mooie composities van planten en grassen! Tere tinten van grassen gecombineerd met subtiele kleurige planten en zo nu en dan een stevig accent van geel, rood, oranje, diepblauw of paars om het levendig en spannend te houden.


In feite heeft hij eerst een serie graspaden uitgezet, ook om zichtlijnen te creëren. Daarbinnen vormde hij grotere en kleinere vakken, waarbinnen de planten werden gezet. Hij wilde over de beplanting kunnen uitkijken, echte hoge planten staan daarom aan de zijkanten van de tuin.


Aardig vond ik nog, dat je hier ook leert, hoe je binnen een kleinere tuin ook een prairie-achtige situatie kunt aanleggen: laat je inspireren door zijn kleinere vakken. Wel vraagt zo’n tuin steeds een zonnige ligging.


De website van de Jakobstuin vind je hier.
Een uitgebreid artikel over de Jakobstuin vind je hier.

Meer prachtige, toegankelijke tuinen, die volgens dezelfde principes zijn vormgegeven:


De prairietuin achter de kwekerij van Lianne’s Siergrassen te Wilp (Gr)

De zeer grote tuin achter kwekerij Jacobs te Vriescheloo (oost Groningen)

En op mijn “nog te bezoeken” lijst staat de twee jaar oude door Piet Oudolf aangelegde Vlinderhof in het Utrechtse Maximapark.



woensdag 3 augustus 2016

Hoogzomer in de tuin.


Hoewel de zomer op het hoogtepunt is, merken we daar niks van. Regen, bewolkte luchten en te lage temperaturen. Ik hoef zelfs mijn potplanten nauwelijks water te geven, soms moet ik ze redden van té veel water. Slakken hebben hun jubeljaar.
Maar zo nu en dan hebben we dan toch één of twee dagen écht zomer, zodat we niet vergeten hoe dat voelt.

In de tuin trekken de planten zich daar niet veel van aan. Het groen is overweldigend, de wat meer waterminnende soorten hebben het dubbel naar de zin: kijk maar eens naar de hortensia’s in je omgeving.
Geregeld moet ik mijn smalle paadjes vrijknippen van overhangend gebladerte, je zou anders niet meer weten waar die paadjes zijn.
Het is in de tuin wel erg mooi. Dat diepe groen, samen met op sommige plaatsen een royale bloei. De bloemtrossen van de Buddleja zijn nog nooit zo zwaar geweest, en ik zie tot mijn geluk heel veel dagpauwogen, een enkele atalanta, wat koolwitjes en citroentjes.
Op de kruising tussen twee paadjes staat een hangende zegge (Carex pendula). Die vind ik zo bijzonder, de bloeistengels gaan wel tot manshoogte.


Onder de hangende zegge staan wat gemengde geraniums.


Mijn favoriete grassoort, het vedergras (Stipa tenuissima) kan zo mooi de zonnestralen opvangen. Ondanks de regen houdt het zich goed.


Op de terrassen eronder rommelt de mooie en sterke Geranium sanguineum var. Striatum wat op het mosveldje.


Nog geen veertien dagen geleden kwamen de nog in knop zijnde bloemstengels van de Astilbe chinensis var. taquetii “Purpurlanze” in beeld. 


Een sterke Astilbe, die iets meer droogte verdraagt dan de andere soorten, De kleur is prachtig, maar van een hele grote, ononderbroken groep zou je misschien qua kleur overspoeld raken. De kleur moet wat “geblust” worden door andere planten ernaast, wat groen ofzo.
Dit geldt eigenlijk voor de meeste Astilbes. De wat bescheidener kleuren, roze, lila, wit hebben dat wat minder dan de felle roden en hardrose soorten; die laatsten hebben niet mijn voorkeur.
Maar wat een schitterend paars hebben die Purpurlansen de afgelopen week weer laten zien:


Door plensregens is een andere groep wel een beetje omgevallen. Misschien moet ik daar volgend voorjaar wat steunhout tussen zetten.


maandag 25 juli 2016

Wondermooi en transparant: Thalictrum delavayi.


Tot de mooiste overblijvende bloemplanten behoort voor mij de Thalictrum delavayi.
Deze Thalictrumsoort (men noemt ze ook wel : ruit) kan wel 1,75 m hoog worden en bloeit al een paar weken met een zee van kleine, fijne, subtiele, zacht-lila bloemetjes op redelijk stevige stengels.



De plant is van origine afkomstig uit Chinese bergbossen, houdt van een aantal uren zon, verdraagt halfschaduw en voelt zich het meest thuis op wat venige, humusrijke, niet te droge grond.
Dat laatste kan ik hem bieden, maar voor wat meer zon moest ik wel een kunstgreep toepassen.
Aanvankelijk had ik de plant gewoon in de tuin, samen met de Verbena bonariensis, ook zo'n transparante schoonheid. Maar door toenemende schaduw liet vooral de Verbena het afweten en de Thalictrum had het ook niet naar de zin.
Ik had het geluk een aantal grote bakken te kunnen krijgen, die ik tegen het raam aan de westkant plaatste. Daarin bleken de Verbena's zich prima te handhaven en ook de Thalictrum blijkt zich er thuis te voelen.


Het bijzondere van deze Thalictrumsoort is, dat de plant hoogte heeft, maar zeer transparant oogt. En de wolken fijne bloemtjes zijn schitterend.


Er zijn meer Thalictrums. Google er maar eens op. De delavayi-soorten vind ik het mooist, daarvan zijn verschillende soorten, de één nog mooier dan de andere.
Trouwens de Thalictrum rochebrunianum mag er ook zijn.


Doorgaans zijn Thalictrums sterke planten, waarvan je jaren plezier kunt hebben, sommigen hebben veel stuifmeel en zijn echte insectentrekkers.

vrijdag 15 juli 2016

Dipje in de vlinderliefde: koolwitje op kool.


In deze tijd, waarin de hoeveelheid en de diversiteit van vlinders terugloopt, dient mijn liefde voor vlinders onvoorwaardelijk te zijn.
Zoals het wel meer gaat met onvoorwaardelijke liefde, wil er wel eens een barstje in komen.


Of liever gezegd: gaten. Maar de liefde herstelt zich weer snel, zo blijkt uit het onderstaande.


Koolwitjes houden van kruisbloemige planten, waaronder onze koolsoorten. En tot mijn moestuinexperimenten behoren de palmkool, de zeekool en het eeuwig moes.
De vrolijke koolwitjes hebben ze weten te vinden, maar geven overduidelijk de voorkeur aan de palmkolen: die prachtige planten, mijn trots.
Op een goede dag zag ik allerlei vrolijke vretertjes op de palmkool. 

poepjes van de rupsen
Uiteraard ga ik geen voorstadium van koolwitjes vermoorden. Toen ging ik de rupsen verzamelen en achterin de tuin zetten, zodat ze de weg terug moeilijk zouden kunnen terugvinden.
Daarover heb ik nu een licht schuldgevoel.
Wat had ik anders kunnen doen?

Het volgende wordt geadviseerd door vlinderliefhebbende tuinierders:

Gun de rupsen een paar koolplanten en dek de rest af met vliesdoek, vitrage of zoiets – zie ik mij niet zo gauw doen, het is toch géén gezicht, zo'n spookachtig bedekte koolplant ;-)

Plant salie en muntsoorten naast de koolplanten, koolwitjes houden niet van de geur.

Zorg dat je geen kleinere of grotere monocultuur hebt van koolplanten. Combinatieteelt met veel soorten planten bij elkaar, brengt het koolwitje in verwarring.



Zorg voor sterke planten, hetzij zelf opgekweekt vanuit liefst biologisch zaaigoed, hetzij als jong, biologisch geteeld plantgoed. Ik heb het geluk gehad dat ik in mei biologische koolplantjes kon kopen.

Het meest haalbaar voor mijn piepkleine cultuurtjes lijkt me de combinatieteelt.
In mijn in het voorjaar aangelegde sleutelgattuintje doe ik dat al. Er staat citroenmelisse, salie, o.i.kers, een andijviesoort, snijbiet én een andere koolsoort: zeekool.
Opvallend is, dat het koolwitje de voorkeur heeft gegeven aan de palmkool boven de zeekool. (Zie hieronder de zeekool.)


Verderop in onze tuin staat,  verstopt tussen bessen en andere tuinplanten, een flinke plant van het eeuwig moes (zie hieronder). Ook deze blijft tot nu toe nagenoeg vrij van vraat. De plant is kennelijk moeilijk te vinden. Combinatieteelt lijkt dus te werken.



Samenvattend lijkt me het beste om te zorgen voor sterke planten, combinatieteelt toepassen met planten, die het koolwitje niet lekker vindt ruiken (salie, muntsoorten) , en eventueel een lok-koolplant erbij te zetten – een zwakkeling uit het tuincentrum bij voorbeeld ;-)

Het aardige van palmkool is, dat vanuit het hart snel nieuwe bladeren ontstaan. De kool herstelt zich vlot.


Voor meer diervriendelijke tips om het koolwitje bij te sturen houd ik me aanbevolen.